Zwijgen kan niet meer: mediadruk versus zwijgrecht.
Een verdachte die zwijgt, zegt toch heel veel. Niet in de rechtszaal, maar in de media. Krantenkoppen suggereren dat ‘wie niets zegt, iets te verbergen heeft’, talkshows speculeren over motieven en sociale media vullen het stilzwijgen moeiteloos in. Hoewel het zwijgrecht een van de fundamenten van het strafproces vormt, lijkt het in de samenleving steeds minder vanzelfsprekend. De vraag dringt zich op: bestaat het zwijgrecht nog wel buiten de rechtszaal?
Het zwijgrecht in het strafproces
Het zwijgrecht vormt een van de fundamentele beginselen van het Nederlandse en Europese strafrecht. In Nederland is dit recht vastgelegd in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat een verdachte niet verplicht is vragen te beantwoorden en bescherming biedt tegen ongeoorloofde druk tijdens het verhoor. Op Europees niveau wordt het zwijgrecht afgeleid uit artikel 6 EVRM, als onderdeel van het recht op een eerlijk proces.Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft herhaaldelijk benadrukt dat niemand mag worden gedwongen mee te werken aan zijn eigen veroordeling.Dit uitgangspunt, beter bekend als het nemo tenetur-beginsel, kreeg onder meer concrete vorm in de arresten Funke/ Frankrijk en Saunders/ Verenigd Koninkrijk.
Traditioneel wordt deze bescherming opgevat als een schild tegen de macht van de overheid. Het zwijgrecht is ontworpen om verdachten te vrijwaren van druk door politie en justitie en speelt vooral een rol binnen het strafprocesrecht zelf: tijdens het politieverhoor, bij de bewijsvergadering en uiteindelijk bij de rechterlijke beoordeling.
Mediadruk als indirecte dwang
In mediagevoelige strafzaken beperkt de druk op een verdachte zich echter niet tot het strafproces. Vaak ontstaat al vroeg een publiek narratief waarin journalisten om een reactie vragen, deskundigen speculeren over schuld en sociale media het stilzwijgen interpreteren. Het zwijgen van de verdachte wordt daarbij zelden neutraal gepresenteerd, maar geïnterpreteerd als verdacht of ontwijkend.
Hoewel deze druk niet juridisch afdwingbaar is, kan zij in de praktijk zeer reëel zijn. Een verdachte kan vrezen voor reputatieschade, maatschappelijke uitsluiting of gevolgen voor zijnof haar werk en privéleven zonder formeel veroordeeld te zijn. Juist daarom lijkt dit erg op een informele sanctie: niet door de rechter opgelegd, niet gebaseerd op schuld en zonder wettelijke waarborgen, maar wel met concrete maatschappelijke gevolgen.
Een recentelijk voorbeeld is de zedenzaak tegen de populaire zanger Marco Borsato. Hierin werd hij verdacht van ontucht met een 15-jarig meisje. De behandeling van de zaak kreeg grote en langdurige aandacht in landelijke media. Achtergronden, details uit het dossier en commentaren van betrokkenen waren regelmatig onderwerp van berichtgeving en talkshows, waardoor de publieke opinie al vroeg werd gevormd voordat een rechter uitspraak kon doen.Deze mediabelangstelling bleef niet zonder gevolgen: diverse landelijke radiozenders besloten gedurende langere tijd de muziek van Borsato niet meer te draaien, dit wijst op de ingrijpende impact van publieke beeldvorming op zijn reputatie en carrière.
Zwijgen is formeel toegestaan, maar sociaal kostbaar. Daarmee rijst de vraag of mediadruk niet functioneert als een vorm van indirecte dwang, die het zwijgrecht feitelijk ondermijnt.
Reikwijdte van artikel 6 EVRM
Een juridisch knelpunt is dat media private entiteiten zijn. Artikel 6 EVRM richt zich primair tot de staat en ziet op de eerlijkheid van het strafproces. Toch is het daarmee te eenvoudig om mediadruk volledig buiten beschouwing te laten. Het EHRM heeft namelijk erkend dat staten ook positieve verplichten hebben om de effectieve uitoefening van verdragsrechten te waarborgen. Daarbij dient evenwel rekening te worden gehouden met de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid van media, zoals beschermd door artikel 10 EVRM. Deze vrijheid omvat het recht om te berichten over zaken van publiek belang, dat is niet onbeperkt en kan worden beperkt wanneer dit noodzakelijk is ter bescherming van andere fundamentele rechten, waaronder het recht op een eerlijk proces.
In de zaak Allan/ Verenigd Koninkrijk nadrukte het Hof dat ook indirecte beïnvloeding van de procespositie van een verdachte problematisch kan zijn. Hoewel deze rechtspraak betrekking had op overheidsoptreden, laat zij zien dat het zwijgrecht meer omvat dan het formele verhoor alleen.
Mogelijke oplossingsrichtingen
De vraag rijst of deze indirecte ondermijning van het zwijgrecht aanleiding zou moeten zijn om mediaberichtgeving in strafzaken verder te beperken. Een vergaand verbod op berichtgeving of speculatie over lopende zaken ligt echter niet voor de hand en is ook niet wenselijk. De vrijheid van meningsuiting en persvrijheid vervullen een essentiële democratische functie, zeker waar het gaat om strafzaken van publiek belang. Een te strikte beperking van mediaberichtgeving zou het risico meebrengen van censuur en verschraling van het publieke debat.
Tegelijkertijd laat de praktijk zien dat formele procesrechten onvoldoende bescherming bieden tegen maatschappelijke veroordelingen voorafgaand aan een rechterlijk oordeel. Het probleem ligt daarbij minder in het feit dát media berichten, maar in de wijze waarop dat gebeurt. Sensationalistische framing en het duiden van zwijgen als verdacht kunnen ertoe leiden dat het uitoefenen van een fundamenteel recht feitelijk wordt ontmoedigd.
Een evenwichtige benadering lijkt daarom, naar mijn mening, te liggen in minder ingrijpende maatregelen, zoals versterkte journalistieke zelfregulering, duidelijke mediacode voor verslaggeving over lopende strafzaken en een grotere verantwoordelijkheid bij redacties om context te bieden over het zwijgrecht en het vermoeden van onschuld. Ook kan van de overheid, in het kader van haar positieve verplichtingen onder artikel 6 EVRM, worden verwacht dat zij deze beginselen actief onder de aandacht brengt.
Conclusie
Het zwijgrecht is juridisch onverminderd geldig, maar maatschappelijk steeds moeilijker vol te houden. De bescherming eindigt grotendeels bij de rechtszaal, terwijl het oordeel van het publiek zich juist daarbuiten vormt. Hoewel een vergaande beperking van mediaberichtgeving onwenselijk is, staat vast dat de huidige mediapraktijk het zwijgrecht onder druk zet. De uitdaging voor de rechtsstaat ligt dan ook niet in het beperken van media, maar in het waarborgen van fundamentele procesrechten ook buiten het strafproces betekenis behouden. Zolang zwijgen maatschappelijk wordt afgestraft, blijft het zwijgrecht juridisch intact, maar praktisch kwetsbaar.
G.H. Meijer, Elementair Formeel Strafrecht, “Nemo tenetur en zwijgrecht”. (PWS nr. 9), 2022/1.5, par. 1.5.
G.H. Meijer & R. Ter Haar, “Zwijgrecht en procesopstelling: het toenemende belang van het uitblijven van een aannemelijke verklaring op de bewijsbeslissing”, TPWS 2018/23.
EHRM 26 april 1985, ECLI:CE:ECHR:1985:0326JUD000897880.
EHRM 25 februari 1993, ECLI:CE:ECHR:1993:0225JUD001084884 (Funke/Frankrijk).
EHRM 17 december 1996, ECLI:CE:ECHR:1996:1217JUD001918791 (Saunders/Verenigd Koninkrijk).
EHRM 5 november 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:1105JUD004858700 (Allan/Verenigd Koninkrijk).
EHRM 7 februari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0207JDU003993109 (Axel Springer AG/ Duitsland).