Wie is hier echt? Deepfakes, portretrecht en de grenzen van digitale identiteit
Een video waarin een politicus ogenschijnlijk een omstreden uitspraak doet. Een naaktfoto die levensecht lijkt, maar volledig door artificiële intelligentie is gegenereerd. Of een overleden acteur die dankzij technologie opnieuw schittert in een reclamecampagne. Wat enkele jaren geleden nog sciencefiction leek, is inmiddels realiteit: deepfakes.
Deepfakes zijn door kunstmatige intelligentie gegenereerde of gemanipuleerde beelden, video’s of audiofragmenten die het recht confronteren met fundamentele vragen over identiteit, reputatie en zeggenschap over het eigen gezicht en stemgeluid. Binnen het thema Media & Recht rijst de vraag: biedt het huidige juridische karakter voldoende bescherming tegen digitale persoonsvervalsing?
Deepfakes als juridisch fenomeen
De term ‘deepfake’ verwijst naar technieken waarbij met behulp van deep learning iemands uiterlijk of stem wordt nagebootst.[1] Anders dan traditionele fotomanipulatie zijn deepfakes vaak nauwelijks van echt te onderscheiden. De technologie is breed toegankelijk en vereist geen specialistische kennis meer.
Het juridische probleem schuilt niet in enkel misleiding, maar in de aantasting van persoonlijke autonomie. Wanneer iemands gezicht wordt gebruikt in pornografisch materiaal of politieke propaganda zonder toestemming, raakt dit direct aan fundamentele rechten zoals het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (art. 8 EVRM) en de vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM).
Het spanningsveld ontstaat wanneer deze rechten botsen: enerzijds het recht van de makers en verspreiders om informatie of creatieve expressie te publiceren, anderzijds het recht van het individu om niet zonder toestemming digitaal te worden ‘gereconstrueerd’.
Het portretrecht in een digitale context
In Nederland wordt het portretrecht geregeld in artikel 21 van de Auteurswet. Degene die geportretteerd is, kan zich verzetten tegen openbaarmaking indien hij daarbij een redelijk belang heeft. Traditioneel werd dit toegepast op foto’s en filmbeelden. Maar hoe verhoudt dit zich tot een deepfake, waarin het portret technisch gezien nooit daadwerkelijk heeft bestaan?
De Hoge Raad heeft in het verleden geoordeeld dat het portretrecht ruim moet worden uitgelegd: beslissend is of een persoon herkenbaar is afgebeeld.[2] In het digitale tijdperk betekent dit dat ook een synthetisch gecreëerd beeld onder omstandigheden als ‘portret’ kan kwalificeren, mits de herkenbaarheid aanwezig is. De juridische kernvraag verschuift daarmee van ‘is het echt?’ naar ‘is het herkenbaar?’.
Toch biedt het portretrecht niet altijd volledige bescherming. Het vereist immers een belangenafweging. Bij publieke figuren, zoals politici of artiesten, weegt het belang van vrije meningsuiting vaak zwaarder. Een gemanipuleerde video met een duidelijk humoristisch of kritisch karakter kan bijvoorbeeld worden verdedigd als artistieke uiting.
Hier ontstaat een grijs gebied: wanneer is een deepfake een legitieme vorm van expressie, en wanneer veroorzaakt zij onrechtmatige reputatieschade?
Privacy en gegevensbescherming
Naast het portretrecht speelt het privacyrecht een cruciale rol. Onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) geldt biometrische data als een bijzondere categorie van persoonsgegevens.[3] Gezichtskernmerken en stemgeluid kunnen hieronder vallen wanneer zij worden verwerkt met het oog op identificatie.
Het genereren van een deepfake vereist doorgaans het verwerken van beeldmateriaal van de betrokkene. Dat roept de vraag op of reeds publiek beschikbare beelden vrij gebruikt mogen worden voor AI-training. De AVG stelt dat verwerking een rechtsgrond vereist, zoals toestemming of een gerechtvaardigd belang.[4] In de praktijk ontbreekt die toestemming vaak.
Daarbij komt dat deepfakes de kern raken van wat men ‘digitale identiteit’ zou kunnen noemen: de wijze waarop een persoon online verschijnt en wordt waargenomen. De schade is niet alleen materieel, maar ook existentieel. Slachtoffers van pornografische deepfakes ervaren vaak langdurige reputatie- en psychische schade, terwijl effectieve rechtsbescherming complex en kostbaar kan zijn.
Vrijheid van meningsuiting versus bescherming tegen misleiding
De vrijheid van meningsuiting, beschermd door artikel 10 EVRM, omvat ook artistieke expressie, politieke kritiek en maatschappelijk commentaar. Deepfakes kunnen een krachtig middel zijn om misstanden aan de kaak te stellen of om via humor en overdrijving een punt te maken.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens benadrukt consequent dat beperkingen op uitingsvrijheid noodzakelijk en proportioneel moeten zijn. Een algeheel verbod op deepfakes zou daarom problematisch zijn. Tegelijkertijd erkent het Hof dat bescherming van reputatie en rechten van anderen legitieme gronden vormen voor beperking.[5]
De uitdaging ligt in het onderscheiden van legitieme expressie en schadelijk manipulatie. Een video waarin voor het publiek duidelijk is dat het om fictie gaat, verschilt fundamenteel van een realistisch gemanipuleerde video die wordt verspreid met het doel om te misleiden.
Europese regulering: de AI Verordening
Op Europees niveau wordt getracht nieuwe technologieën in te kaderen via de AI Verordening.[6] Deze verordening introduceert transparantieverplichtingen voor AI systemen, waaronder systemen die deepfakes genereren. In bepaalde gevallen moet duidelijk worden vermeld dat het om kunstmatig gegenereerde content gaat.
Hoewel deze verplichting een belangrijke stap vormt in het tegengaan van misleiding, biedt zij geen volledige oplossing voor reputatieschade of privacyschending. Transparantie voorkomt immers niet dat het beeld zelf wordt verspreid.
Daarnaast sluit de AI Verordening aan bij bestaande regelgeving zoals de Digital Services Act[7], die online platforms verplicht om illegale content effectief aan te pakken en meldingsmechanismen te bieden. Platform krijgen daarmee een grotere verantwoordelijkheid in het signaleren en verwijderen van schadelijke deepfakes.
Naar een recht op digitale integriteit?
Deepfakes confronteren het recht met een fundamentele vraag: in hoeverre heeft een individu zeggenschap over zijn digitale verschijningvorm? Het bestaande kader van portretrecht, privacyrecht en onrechtmatige daad biedt aanknopingspunten, maar is niet specifiek ontworpen voor een wereld waarin iemands gezicht en stem eindeloos reproduceerbaar zijn.
Mogelijk vraagt de digitale realiteit om een explicieter erkend recht op digitale integriteit: het recht om niet zonder toestemming digitaal te worden gereconstrueerd of gemanipuleerd op een wijze die de persoonlijke identiteit aantast. Een dergelijk recht zou niet de vrijheid van meningsuiting uitsluiten, maar wel duidelijker grenzen stellen aan misleidende of schadelijke toepassingen.
Conclusie
Deepfakes illustreren hoe technologische innovatie fundamentele rechtsvragen op scherp zet. Het bestaande juridische instrumentarium biedt bescherming, maar is niet specifiek ontworpen voor deze nieuwe werkelijkheid en werkt vaak pas nadat schade al is ontstaan.
De kern van het probleem ligt niet alleen in de misleiding, maar in de controle over de eigen identiteit. In een medialandschap waarin echt en nep steeds moeilijker te onderscheiden zijn, zal het recht een evenwicht moeten vinden tussen creatieve vrijheid en bescherming tegen digitale persoonsvervalsing.
De vraag is dan ook niet óf het recht moet reageren, maar hoe het dat doet zonder de fundamenten van de democratische rechtsstaat uit het oog te verliezen.
[1] R. Chesney & D. Citron, ‘Deepfakes and the new disinformation war: The coming age of post-truth geopolitics’, Foreign Affairs 2019, 98, 147.
[2] HR 30-10-1987, ECLI:NL:PHR:1987:AD0034.
[3] Art. 4 lid 14 en art. 9 AVG.
[4] Art. 9 AVG.
[5] EHRM 07-02-2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0207JUD003995408 (Springer/Germany).
[6] Verordening (EU) 2024/1689.
[7] Verordening (EU) 2022/2065.