Van liefdesnest naar juridische nachtmerrie?
In de praktijk gaan partners vaak samenwonen zonder hierover afspraken te maken en deze formeel vast te leggen. Aanvankelijk gaan zij uit van vertrouwen en een gezamenlijke toekomst, waarbij kosten zoals huur en boodschappen gedeeld worden. Wanneer de relatie eindigt, kan het ontbreken van formele afspraken leiden tot financiële onzekerheid en discussies over de verdeling van bezittingen en kosten. Dit geldt vooral voor ongehuwde partners, omdat hierover weinig is vastgelegd in de wet. De vraag is dan in hoeverre het recht hiervoor een regeling biedt.
Hoe werkt samenwonen juridisch?
In het Nederlandse recht kennen we geen algemene wettelijke regeling voor ongehuwd samenwonenden. Samenwonen creëert geen wettelijke gemeenschap van goederen en ook geen algemene onderhoudsverplichtingen tussen partners. Bij een relatiebreuk geldt daarom in beginsel: ieder houdt wat op zijn of haar naam staat. De gevolgen hiervan kunnen enorme impact hebben op de betrokken partijen, vooral als het huis of de gehele inboedel door één van de twee partners is gekocht.
De wetsbepalingen die van toepassing zijn op het huwelijk, zijn niet van toepassing op ongehuwde samenwoners.[1] Samenwonenden die getrouwd zijn, hebben na een echtscheiding meer rechten. Zij kunnen bijvoorbeeld een vergoeding aanvragen voor investeringen in het privévermogen van de ander op grond van artikel 1:87 BW. Voor ongehuwd samenwoners gelden deze bepalingen niet.
Ongelijke bijdragen
Een terugkerend probleem bij samenwonende die uit elkaar gaan ontstaat wanneer één partner tijdens de relatie structureel meer bijdraagt aan gezamenlijke kosten. Denk aan het situaties waarin een van de partners meer huur betaalt, een verbouwing bekostigd of de gezamenlijke meubels financiert. Tijdens de relatie zal dit als vanzelfsprekend of logisch voelen; de één werkt meer, waardoor de ander meer huishoudelijke taken op zich neemt.
Op 10 mei 2019 oordeelde de Hoge Raad over een discussie tussen twee gescheiden partners omtrent de kosten van een verbouwing.[2] Eén van de partners had het huis op zijn naam staan en de andere partner betaalde voor de verbouwing van dit huis. De partner die de kosten voor de verbouwing had gemaakt vorderde bij de rechter een vergoeding voor deze kosten op grond van artikel 1:87 BW. In dit artikel is een vergoedingsplicht opgenomen. Deze verplichting houdt in dat, wanneer één van de partners geld van de ander gebruikt voor de aankoop van een goed dat tot zijn privévermogen blijft behoren, hij daarvoor op een later moment een passende vergoeding moet betalen. De Hoge Raad oordeelde dat deze regel niet van toepassing was op ongehuwde samenwonenden en een vergoedingsrecht alleen kan ontstaan als partijen daar afspraken over hebben gemaakt (bijvoorbeeld in een samenlevingscontract) of er een grond bestaat in het algemene verbintenissenrecht.
Zonder duidelijke afspraken over samenwonen, is achteraf een juridische vordering instellen gecompliceerd. De partner die meer heeft betaald en terugbetaling vordert, moet aantonen dat daarvoor een rechtsgrond bestaat. Een dergelijke rechtsgrond kan bijvoorbeeld gelegen zijn in de ongerechtvaardigde verrijking uit artikel 6:212 BW of de onverschuldigde betaling van artikel 6:203 BW. Het enkele feit dat één van de partners meer heeft bijgedragen, levert daarvoor doorgaans onvoldoende grond op.
Hoe creëer je juridische zekerheid?
De meest effectieve manier om juridische zekerheid te creëren tussen ongehuwde samenwonende partners, is het sluiten van een samenlevingscontract. Een dergelijk contract biedt echter geen automatische bescherming, maar werkt slecht voor zover partners daarin zelf afspraken hebben gemaakt over toekomstige situaties. Een samenlevingscontract is dus geen automatische veiligheidsregeling en meer een set van zelfgekozen afspraken.[3]
Om bescherming tegen bepaalde risico’s te realiseren, dienen deze risico’s vooraf te worden voorzien en adequaat in het contract te worden geregeld. Partners kunnen onder andere een verdeling van woonlasten, eigendom van meubels en andere roerende zaken, vergoedingsregelingen voor de meest betalende partner of een afwikkeling van rechten en verplichtingen bij beëindiging van de relatie opnemen in het samenlevingscontract.
Het contract is daarmee geen garantie tegen conflicten, maar wel een instrument om verwachtingen vooraf te structureren en te zorgen voor een vloeiend verlopende breuk.
Waarom regelen veel samenwoners niks?
In Nederland waren er in 2000 volgens het Centraal Bureau Statistiek (CBS) 657.579 ongehuwde samenwonenden.[4] In 2025 waren dit er al 1.125.216.[5] Dit is een stijging van 71%. Vooral studenten en jonge koppels stellen het opstellen van een samenlevingscontract vaak uit.[6] Dit is begrijpelijk want het kan onnatuurlijk aanvoelen om te moeten nadenken over de gevolgen van een mogelijke bedinging van de relatie.
Toch is het juist in deze fase belangrijk om een samenlevingscontract op te stellen, want het recht biedt weinig mogelijkheid om bestaande ongelijkheid te corrigeren wanneer dergelijke afspraken niet door partijen zijn vastgelegd. Partners die contractueel niks hebben geregeld, zijn aangewezen op algemene vermogensrechtelijke leerstukken, zoals ongerechtvaardigde verrijking of redelijkheid en billijkheid.[7] Op basis hiervan kunnen de problemen alsnog opgelost worden, maar dit is een stuk lastiger dan wanneer de afspraken expliciet staan genoemd in een samenlevingscontract, mede door de hoge bewijslast.
De uitspraak op 10 mei 2019 van de Hoge Raad illustreert perfect dat de bewijslast erg hoog ligt in geval de rechter de redelijkheid en billijkheid toepast. Zij oordelen namelijk dat zonder huwelijk of contract verplichtingen voort kunnen vloeien uit de redelijkheid en billijkheid, maar degene die zich daarop beroept moet bijzondere feiten en omstandigheden stellen waaruit blijkt dat een vergoedingsplicht naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid gerechtvaardigd is.[8]
Waarom een samenlevingscontract?
De keuze om een samenlevingscontract te sluiten of achterwege te laten, betreft niet uitsluitend persoonlijke of emotionele overwegingen, maar omvat tevens economische en juridische afweging. Voor jongere stellen kan het daarom verstandig zijn om in een vroeg stadium over mogelijke toekomstscenario’s na te denken en hier passende afspraken over te maken. Dit betekent niet dat liefde volledig aan contractuele voorwaarden moeten worden onderworpen, maar wel dat romantiek en realisme naast elkaar kunnen bestaan. Door tijdig afspraken vast te leggen, kan de kans op financiële en juridische complicaties bij een latere beëindiging van de relatie aanzienlijk worden beperkt
Samenwonen zonder afspraken kan aantrekkelijk lijken, omdat je niet na hoeft te denken over risico’s die later kunnen optreden. Dit vertrouwen dat alles vanzelf goed zal verlopen, is echter niet altijd gerechtvaardigd. Partijen die samen gaan wonen doen er daarom verstandig aan om na te denken over mogelijke financiële en juridische gevolgen indien de relatie anders loopt dan verwacht.
Indien men voornemens is te gaan samenwonen en wil weten welke zaken geregeld moeten worden, kan gebruik worden gemaakt van een vragenlijst op de website van de Rijksoverheid, die een overzicht biedt van de relevante aandachtspunten.[9]
[1] Quispel 2005, p.2.
[2] HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707.
[4] CBS. Huishoudens; grootte, samenstelling, regio, 22 augustus 2025.
[5] CBS. Huishoudens; grootte, samenstelling, regio, 22 augustus 2025.
[6] De Hoog 2007, p.2.
[7] HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, m.nt. L.C.A. Verstappen.
[8] HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707.